Een kerstverhaal

Het was laat op de avond. De zon was al lang ondergegaan. Langs een stil, donker pad, in de richting van Bethlehem, liep een oude man. ’t Was meer sloffen wat hij deed, al steunend op z’n oude herdersstaf. Hij mompelde soms wat in zichzelf.
Ja, dacht hij. In stille armoede werd Hij geboren.
Daar kon hij immers over mee praten. Als de dag van gisteren herinnerde hij zich alles nog, dat mooie, dat fijne, terwijl niemand er meer op rekende.

Het was toen nacht, het was donker in de wereld. Er was geen hoop, geen toekomst en geen licht. Juist toen ontfermde God Zich over mensen. Want zie, er is een kind op aard geboren.
Even komt er een glimlach over de lippen van de oude herder. Hij ziet het nog liggen in de kribbe, dat kindje Jezus.
Iedere keer werden ze weer lastig gevallen door de Romeinse soldaten. Bijna iedereen moest vluchten. En de andere herders had hij nooit meer teruggezien.

Jezus wel! Maar wat was er niet van Hem geworden? ’t Had alles alleen maar verergerd, want, o wee… als je je bij Jezus aansloot… O, zelf had hij wel tussen de menigte gestaan en met die wonderbare spijziging had hij ook meegegeten van het brood. Dat was maar één van de vele wonderen die Jezus gedaan had.

Ja, mompelde hij. Ik volgde Hem ook, maar dan op afstand.
’t Was toch ook zijn Jezus! En nu… verleden tijd is het…

Kijk, daar is de stal.
Nog één keer wilde hij terug naar die stal. Hoelang geleden was het, dat hij daar naar binnen ging? Misschien wel 33 jaar geleden. Hij opende de deur en liep naar binnen. Alles was zo gammel. ’t Was er ook zo koud. Ach, kijk… de kribbe… hij staat er nog.
Hij voelde tranen naar boven komen.
Dan weer balde hij z’n vuisten.
Die soldaten, ze hebben Hem gekruisigd.
Alles was nu afgelopen. Maar telkens gingen zijn gedachten in de richting van… Jezus’ dood… Hij was nog stilletjes naar het graf gelopen, heel voorzichtig, niemand mocht hem daar zien, want o… al die soldaten…

Verdrietig was de herder toen weggegaan. Jezus, Hij was dood en hij miste Hem zo… Hij had Jezus nodig. En nu zat hij hier, de kribbe was leeg, het graf was leeg en zijn hart was leeg… Eenzaam en alleen voelde hij zich. Zijn lichaam was erg verzwakt. Hij wist dat zijn leven spoedig voorbij zou zijn. Nog één keer zou hij Jezus graag willen zien.

Hij knielde neer. De tranen liepen over zijn wangen en druppelden in de kribbe. Hij riep tot God: “Here God, het leven was zo mooi met het kind Jezus, Uw Zoon… Ik wil zo graag…”
Ineens was hij niet meer alleen in de stal. Droomde hij nu? Of, nee… wacht eens, hoorde hij daar niet een bekende stem? Was dat niet de stem van Jezus? Oh, kijk, daar stond Hij en Hij sprak tegen hem. De herder was eerst sprakeloos.
Toen riep hij: “Jezus, mijn Jezus. Geef mij nog eenmaal kracht, een krachtige stem, zodat ik van U en over U mag zingen, want nu heb ik alles begrepen! O, dat ze het in Bethlehem en in Jeruzalem mogen horen, dat U leeft. Heel de wereld moet het weten!”
En hij zong…

Ze hebben het gehoord, de soldaten… In de verte hoorde hij de paarden van de soldaten… Op weg naar de stal van Bethlehem.

Maar de oude herder was niet meer, hij was heengegaan tot zijn Vader, zijn God, het ‘Eeuwige Licht’.

Zo zou de geschiedenis van één van de herders geweest kunnen zijn. Knielend bij de kribbe, Jezus volgend… Teleurstellingen, een leeg graf en een leeg hart.

Dan is Jezus er opnieuw met Zijn Licht.
Hij geeft warmte en rust.

(André Anné)

Worden als een kind…

Een wachtzaal van een druk station in een grote Vlaamse stad. Dé stad, zouden de inwoners zeggen. Het is in de vroege avond en het duurt nog een kwartiertje voordat de trein komt. De deur gaat open en een moeder duwt een buggy de ruimte binnen. Terwijl mama zich zet, kruipt het jongetje uit zijn vervoermiddel waar hij eigenlijk al veel te groot voor is. Een vriendelijke reizigster spreekt hem aan. ‘Hij zegt nooit iets tegen vreemden’, oppert de moeder nog, maar de feiten spreken haar tegen. Het manneke blijkt een spraakwaterval en even later wordt een mooie speelgoedcamion ergens onder uit de buggy gehaald. Een stevige duw en het felgekleurde stuk speelgoed holderdeboldert over de oneffen vloer naar de andere kant van de wachtzaal. Natuurlijk wordt het terug naar afzender gestuurd en binnen de kortste keren stuift het geel-blauw-rode plastiek op wieltjes van de ene kant van de zaal naar de andere. En iedereen doet mee. Een voor een nemen ze deel aan het spel waarin het kleine kind als een stralende ster schittert. De kleine camion botst tegen een valies en rijdt over een vermoeide reizigersteen. Meteen wordt een imaginaire ambulance opgetrommeld, want de fantasie is zeker niet alleen bij het kind te vinden. De kille wachtkamer, waar de mensen enkele minuten geleden alleen maar naar binnen gingen om aan de druilerige regen te ontvluchten is plotseling een oase van warme menselijkheid. Hoe ontwapenend kan een klein kind zijn… Niemand die er zich ook maar iets van aantrekt dat de donkere huidskleur van moeder en zoon een verre origine verraden. De onverdraagzame samenleving die buitenlanders niet graag ziet komen, lijkt hier mijlenver vandaan. De meedogenloze maatschappij waarin iedereen langs elkaar leeft, is hier onbestaande. Volslagen vreemdelingen van elkaar zijn de mensen die hier samen zitten, maar ze gaan allemaal op in hetzelfde spel. Dit jolige jongetje met zijn speelgoedvrachtwagen steelt harten…

Het zijn schitterende momenten wanneer het mooie in de mens plotseling komt bovendrijven. Het zijn de ogenblikken waarop zelfs de grootste pessimist onverbiddelijk het zwijgen wordt opgelegd. Dit kind brengt onbedoeld en onwetend een zonnestraal in een donkere wereld. De stem van de stationsomroepster maakt ongevraagd een abrupt einde aan dit wonderlijke schouwspel. Het is een zeldzaam moment waarop je het eigenlijk erg vindt dat de trein op tijd is. Iedereen staat op en begeeft zich naar het perron. De moeder, het kind en de camion verdwijnen in de trein. In de wachtkamer blijven alleen de herinneringen aan dit wonderlijke tafereel over.

Worden als een kind … is dat nu echt zo moeilijk?

(Don Zeeman)

Laatste ERTS-uitzending op zondag 6/12 op Radio 1

Deze laatste uitzending zal handelen over het Project “3-16 Liefde voor de wereld”. Oorspronkelijk zou deze worden uitgezonden op 3 december, maar door de live-verslaggeving van het voetbal werd ze uitgesteld naar zondag 6 december, na het nieuws van 20u op RADIO 1.

Bij zulke voetbalwedstrijden zie je soms de de cijfercombinatie 3:16 tevoorschijn komen: een spandoek van een enthousiaste supporter of onder het truitje van een speler. Veelvuldig waar te nemen tijdens het wereldkampioenschap in Brazilië, om maar iets te noemen. Met het spel heeft het eigenlijk niet veel te maken – het is een verwijzing naar de boodschap die de persoon in kwestie wil laten zien. Komend jaar zal het getal ook in Vlaanderen op veel plaatsen te zien zijn.

Jean Bos en Don Zeeman van ERTS, de Evangelische Radio- en Televisie Stichting, gingen op zoek naar de betekenis van deze geheimzinnige formule. In een gesprek met Ruben Mottart, de initiatiefnemer van de actie en met Kurt Maeyens, directeur van de Belgische Evangelische Zending wordt een en ander duidelijk.

Bewogenheid met struikelende christenen

Het is noodzakelijk om af en toe tijd te nemen om bij de Here Jezus te zijn, om nieuwe kracht en visie van Hem te ontvangen. Want ook al mogen we Hem kennen, dan kunnen we soms zo druk zijn met ons werk voor Hem, dat we te weinig bij Hem zijn. We hebben het zo nodig om vol te zijn van Hem en van de Heilige Geest.

En terwijl ik hierover nadacht, kwam Handelingen 4:13 mij in gedachten. Daar staat:

Toen zij nu de vrijmoedigheid van Petrus en Johannes zagen en merkten dat zij ongeleerde en eenvoudige mensen waren, verwonderden zij zich en zij herkenden zij hen als mensen die met Jezus samen geweest waren.

Deze laatste woorden vind ik zo mooi: ‘Zij herkenden hen dat zij met Jezus geweest waren.’ Ik hoop dat we dat verlangen hebben, zo met de Here Jezus te leven, met Hem te wandelen, dat anderen herkennen dat we bij Hem zijn geweest en met Hem leven en wandelen.

Het is niet altijd makkelijk om die weg te gaan, omdat het wel eens verleidelijk is om mensen te behagen. Daar zijn we toch allemaal gevoelig voor, dat mensen ons prijzen en goed van ons spreken.

Het is mijn verlangen om Gods Woord te kennen en serieus te nemen en alles daaraan te toetsen. Nu we dichter bij de wederkomst van de Here Jezus komen, wordt dat steeds belangrijker, omdat de satan weet dat hij nog maar een korte tijd heeft en zich daarom des te meer zal inspannen om zo mogelijk de uitverkorenen te misleiden (Mattheus 24:24).

Ben ik voldoende met ontferming bewogen over medechristenen, die in mijn ogen een zondige weg gaan? Mijn gebed is:

Geef mij nog meer van Uw genade, Here Jezus, zodat Uw bewogenheid meer zichtbaar mag worden door mij heen.

Wat oordelen christenen soms onbarmhartig over hun broeders en zusters. Ze weten vaak precies hoe men behoort te denken, te geloven en doen, en o wee, als iemand iets doet, zegt of gelooft wat daarbuiten valt. Dan is het soms direct over en uit.

Is dit een houding die gelovigen past? We zijn geroepen te strijden voor de waarheid (Judas:3). Wat de leer betreft, moeten we waakzaam en alert zijn en zijn we geroepen de werken van de duisternis te ontmaskeren.

Naar onze medemens toe past ons echter grote bescheidenheid. We moeten onszelf niet boven anderen verheffen. Durven mensen met hun noden bij ons te komen, omdat ze weten dat wij met ontferming over hen bewogen zijn en niet direct klaarstaan om hen te veroordelen? Durven mensen die gestruikeld zijn, bij ons aan te kloppen, omdat ze weten dat wij zullen helpen hen weer op te richten?

Het risico van zo’n open houding is wel dat we hun zonden goed gaan praten. We kunnen zo begaan zijn met hun lot, dat het ons niet meer lukt onderscheid te blijven maken tussen zonde en zondaar. God is immers liefde, houden we onszelf voor, maar laten we Zijn liefde niet uitspelen tegen Zijn rechtvaardigheid en Zijn heiligheid. Hij kan de zonde niet gedogen.

Denk eens aan de Here Jezus. Juist Hij trok Zich het lot aan van mensen die door de samenleving met de nek werden aangekeken. Een ontmoeting met Hem veranderde hun levens. Hij accepteerde hen voor honderd procent als mens, maar ze wisten dat ze radicaal moesten breken met hun zondige leven. Wie deze genade van God in zijn of haar eigen leven ervaren heeft, zal milder worden. Schieten wij niet vaak te kort in het betonen van genade aan anderen, of ze nu gelovig zijn of niet? Veroordelen wij niet te snel?

We zijn zelf toch ook nog te vaak struikelende pelgrims, die op weg naar de eeuwigheid? Laten degenen die niet gestruikeld zijn, daar allereerst de Here voor danken en daarna om zich heen zien om anderen bij de hand te nemen, zodat ook zij weer verder kunnen lopen.

(André Anné)