In de stilte

Het zou wel eens kunnen zijn dat we niet veel te zeggen hebben in Gods nabijheid . Psalm 62 zegt ‘…mijn ziel is stil voor God’ (2). En verder (6) : ‘… mijn ziel, zwijg voor God.’ Wanneer we zo in stilte tot Hem naderen, gaan we beseffen wie Hij is. ‘Hij is mijn rots en mijn heil’ (3 en 7). We kunnen deze woorden vroom in de mond nemen en ‘verstandelijk’ weten we dat Hij de machtige is, onze Rots. Maar deze woorden worden pas werkelijkheid als het erop aankomt, wanneer het stormt in ons leven en wanneer we Zijn nabijheid echt ervaren.

Wanneer we zo in de stilte voor Hem verschijnen, en er gevraagd wordt hoe het met ons gaat, dan zal ons antwoord anders zijn dan wanneer een mens dat aan ons vraagt. Dan kunnen we tegen God zeggen dat het goed is, omdat we in Zijn tegenwoordigheid zijn. Dan kunnen we zoals Paulus zeggen dat ‘niets ons kan scheiden van de liefde van God, in Christus Jezus, onze Heere’ (Romeinen 8:39).

Het kan ook zijn dat we eerlijk tegen Hem moeten zeggen dat het geestelijk gezien niet zo goed met ons gaat. Aan wie kunnen we dat beter vertellen dan aan Hem? Hij kan ons leven totaal vernieuwen. Hij kan situaties veranderen. Voor Hem is niets te wonderlijk.

 

Alleen bij God vindt mijn ziel haar rust,
van hem komt mijn redding.
Hij alleen is mijn rots en mijn redding,
mijn burcht, nooit zal ik wankelen.

Hoe lang nog vallen jullie aan op één man
en bedreigen jullie hem met de dood?
Hij is als een muur die omvalt,
als een wal die op instorten staat.

Zij willen hem van zijn hoogte storten,
de leugen is hun lust en hun leven,
een zegenwens ligt op hun lippen,
maar in hun hart verbergt zich een vloek.

Zoek rust, mijn ziel, bij God alleen,
van hem blijf ik alles verwachten.
Hij alleen is mijn rots en mijn redding,
mijn burcht, ik zal niet wankelen.

Bij God is mijn redding en eer,
mijn machtige rots, mijn schuilplaats is God.
Vertrouw op hem, mijn volk, te allen tijde,
open voor hem uw hart,
God is onze schuilplaats.

Niets dan lucht zijn de kinderen van Adam,
niets dan een leugen de mensenkinderen,
in de weegschaal gaan zij omhoog,
samen zijn zij lichter dan lucht.

Vertrouw niet op geweld,
op iets vluchtigs als geroofd bezit,
ook al groeien geld en goed,
houd je hart ervan vrij.

Eenmaal heeft God gesproken,
tweemaal heb ik het gehoord:
‘De macht is aan God.’
Bij u, Heer, is ontferming,
u beloont ieder mens
naar zijn daden.

Psalm 62

Verlangen naar het beloofde land

Dit verlangen moet in ons aanwezig zijn. Dan zal het een uitwerking hebben in ons dagelijks leven. We moeten niet tevreden zijn met een leven in de woestijn, maar verlangen dat Jezus in ons zichtbaar wordt, ook in onze kerken. Dat er meer en meer gelovigen zullen zijn die zich helemaal aan God toewijden, met het diepe verlangen in Zijn tegenwoordigheid te zijn. Geestelijke groei zal dan zichtbaar worden en het is goed mogelijk dat anderen dat eerder opmerken dan wijzelf.
Deze groei veroorzaakt geestelijke honger, die pas wordt gestild wanneer wij Gods goedheid hebben geproefd en een glimp hebben opgevangen van Hemzelf.

Wel zien we dat Jezus – die voor korte tijd lager dan de engelen geplaatst was opdat zijn door door Gods genade iedereen ten goede zou komen – vanwege zijn lijden en dood nu met eer en luister gekroond is.
Hebr. 2:9

Wanneer we in Zijn tegenwoordigheid komen en Hem werkelijk ontmoeten, dan zullen we onze eigen kleinheid en zondigheid beseffen. Hij is immers de Heilige.

Ik (Jesaja, nvdr) riep het uit: ‘Wee mij, want ik verga! Ik ben immers een man met onreine lippen!’
Jes. 6:5

Hierna heiligde de Heere Jesaja en kon hij toch in Gods tegenwoordigheid zijn. Met volle vrijmoedigheid mogen wij tot Hem gaan, omdat de Heere Jezus als de Hogepriester de hemelen is doorgegaan.

Nu wij een hooggeplaatste hogepriester hebben die de hemel is doorgegaan, Jezus, de Zoon van God, moeten we vasthouden aan het geloof dat we belijden. Want de hogepriester die wij hebben is er een die met onze zwakheden kan meevoelen, juist omdat hij, net als wij, in elk opzicht op de proef is gesteld, met dit verschil dat hij niet vervallen is tot zonde. Laten we dus zonder schroom naderen tot de troon van de Genadige, waar we telkens als we hulp nodig hebben barmhartigheid en genade vinden.
Hebr. 4:14-16

 

Aside

Psalm 13

Ik wil de Here zingen, omdat Hij mij heeft welgedaan.
Ps. 13:6

Hoe lang nog? David heeft het moeilijk en voelt zich alleen. De vijand zegeviert en hij ziet geen uitkomst. Het duurt allemaal zo lang. Waar blijft God?

Ten slotte komt hij met zijn innerlijke strijd bij de Here. Zijn viervoudige klacht ‘hoe lang nog?’ – gaat over in een gebed om uitredding. En de Psalm eindigt met een geloofsbelijdenis en een lofzang. Een illustratie van óns leven, van de beproeving van ons geloof. Hoe eenzaam voelen we ons dikwijls als zorgen en ziekte op ons afkomen.

Als er lange tijd niets verandert en het lijkt of God ver weg is. Kan onze cirkel van eenzaamheid en wanhoop doorbroken worden?

Ja! Als we net als David tot God gaan en onze nood met Hem delen. Zeker, het begint met vragen en met de schreeuw: ‘Hoe lang nog?’ Bent U mij vergeten? Waarom antwoordt U niet? Waarom schijnt de duivel de overwinning te behalen?

Dan, als het antwoord uitblijft, worden we kleiner en stil voor God. Een kinderlijk gebed: ‘Here, mijn God, zie toch en antwoord mij’ stijgt uit ons hart op naar de hemel. Weet u het ook dat God de Here, uw Vader is en dat u mag zeggen: ‘mijn God’? Dan zal dit in uw problemen de oplossing brengen die voert naar de overwinning: dus het vertrouwen op Gods goedertierenheid in uw leven.

Hij ziet u in de strijd; Hij kent het lijden van ieder van Zijn kinderen en Hij geeft op Zijn tijd uitredding. Dit geeft innerlijke rust en blijdschap. De klaagzang verandert in een loflied.

(Overgenomen uit “Verhalen bij de bijbel”)

Bijbelse vrouwen

In het Mattheüsevangelie krijgen we een opsomming van het geslachtsregister van Jezus. Wat hierbij opvalt is dat er in die stamboom vier vrouwen vermeld worden tussen al die mannen. Vrouwen van vreemde origine dan nog wel:

  1. Tamar, de Aramese
  2. Rachab, de hoer uit Jericho
  3. Ruth, de Moabitische
  4. en Batseba, wiens man een Hethiet was.

Ze hebben allen een eigen achtergrond en verhaal en komen uit verschillende tijden. Toch komen ze voor in de joodse geschiedenis.

Wat nog opvalt is dat niet de stammoeders (Sarah, Rebekka, Lea of Rachel) hier opgesomd worden. Het doet mij besluiten dat Gods wegen en gedachten heel anders zijn dan de mijne. Hij gebruikt de “fouten” om toch kromme lijnen recht te trekken.

Jezus is niet zomaar een zoon van David, maar Gods Zoon. Zijn genade en liefde zijn grensoverschijnend.

Psalm 8

O Here, onze Here, hoe heerlijk is Uw naam op de ganse aarde.
Psalm 8:2

Met bovenstaande tekst begint en eindigt deze Psalm.  Wordt Zijn naam op de ganse aarde verheerlijkt? Was het maar waar! Het lijkt er nu niet op, maar eens zal het werkelijk zo zijn.

Al wat leeft zal komen om zich voor Mijn aangezicht neer te buigen, zegt de Here.
Jes. 66:23

Nu reeds mogen wij Zijn naam verheerlijken hier op aarde. De Here, onze God, toont Zijn majesteit aan de hemel. Wij kunnen Zijn machtige  werken bewonderen.

Zijn eeuwige kracht en Goddelijkheid worden uit Zijn werken met het verstand doorzien.
Rom. 1:20

Velen willen het niet zien. En toch wil God naar die afkerige mens omzien. Om hem te redden zond Hij Zijn Zoon. Christus is…

… voor een korte tijd beneden de engelen gesteld.
Hebr. 2:7

Onze Heiland werd Mens om te kunnen sterven. Hij is het Lam van God dat Zichzelf ten offer gaf tot verheerlijking van God. Alles is volbracht voor onze behoudenis. Wie in de Zoon gelooft, heeft het eeuwige leven. Omdat deze volmaakte Mens Jezus Christus Gods wil deed tot in de dood aan het kruis, is Hij nu reeds met heerlijkheid en eer gekroond aan de rechterhand van de Majesteit in de hoge.

Citaat

Bekering

Bekering is een voortdurend proces.
Niet alleen het afkeren van alles wat je van God weghoudt, van dingen die duidelijk zonde zijn, maar ook van dingen die je verhinderen je in de tegenwoordigheid van God te begeven.

Aside

Als de Heiland mijn gast wilde zijn…

Zou ik Hem dan met open armen aan de deur begroeten? Of zou Hij moeten wachten, voordat ik Hem binnen kan laten? Om een paar tijdschriften te verstoppen en er betere lectuur voor in de plaats leggen? Zou ik mijn wereldse muziek door goede vervangen? Zou ik trots zijn op de dingen die aan de muur te kijk hangen? Of zou ik het een en ander uit willen leggen en allerlei excuses maken?

En als de Heiland een paar dagen met me doorbracht, zou ik dan zeggen wat ik altijd zeg? Zou het leven voor mij gewoon doorgaan? Zou ik Jezus meenemen waarheen ik van plan was te gaan? Of zou ik mijn plannen voor een paar dagen wijzigen? Zou ik blij zijn als Hij mijn naaste vrienden ontmoette? Of zou ik hopen dat ze wegbleven tot Zijn bezoek voorbij was?
Zou ik blij zijn als Hij steeds zou blijven? Of zou ik me opgelucht voelen als Hij tenslotte wegging?

Laat ik proberen er precies achter te komen hoe ik zou zijn, als de Heere Jezus persoonlijk kwam om een poosje met mij op te trekken.